Kinderen die spelen in een houten hut, kinderen die zitten te lezen en kinderen die een kralenplank maken

Leerlingvolgsysteem

Leerlingen leren en ontwikkelen zich op verschillende manieren. Daarom zijn hun leerresultaten ook verschillend. Wij proberen elk kind zo goed mogelijk te begeleiden. De leerkrachten kijken in de klas goed naar hoe het met de leerlingen gaat. Ook nemen ze toetsen af om te zien wat de leerlingen van de lesstof hebben geleerd. De uitslagen van deze toetsen en de observaties worden bijgehouden in het leerlingvolgsysteem Parnassys. We volgen de brede ontwikkeling van elk kind. Dit betekent dat we niet alleen kijken naar kennis en schoolvakken, maar ook naar:

  • sociaal-emotionele ontwikkeling (hoe een kind met zichzelf en anderen omgaat)
  •  motorische ontwikkeling (beweging) 
  • creatieve ontwikkeling (zoals tekenen of muziek)
  • cognitieve ontwikkeling (denken, leren en begrijpen).

Op basis van wat we zien en meten, passen we de leerstof soms aan. Sommige leerlingen krijgen extra uitleg, extra oefening of juist moeilijkere opdrachten. Als een leerling extra hulp nodig heeft, bespreekt de leerkracht dit met de intern begeleider (IB’er). Soms is er dan extra onderzoek nodig, bijvoorbeeld met een toets of observatie door een specialist of de IB’er. Ouders worden hier altijd bij betrokken. Samen maken we een ondersteuningsplan (OPP). Na zes weken kijken we samen met de IB’er of het plan goed werkt. Als dat nodig is, maken we nieuwe afspraken. We zoeken altijd samen met de ouders en waar nodig met deskundigen, naar de beste oplossing. Als er extra hulp van buiten nodig is, vragen we eerst toestemming aan de ouders.

Toetsen
In de groepen 1 en 2 gebruiken we het systeem HOREB. Dat betekent: gericht kijken, registreren en beoordelen hoe jonge leerlingen zich ontwikkelen. Met deze informatie kunnen leerkrachten goed aansluiten bij wat het kind nodig heeft om verder te leren. Voor jonge leerlingen die nog geen of weinig Nederlands spreken, gebruiken we een speciale woordenschattoets. Deze toets wordt individueel afgenomen aan het begin en het einde van een thema. De toets bestaat uit 25 nieuwe woorden. Aan het eind wordt gekeken of het kind de woorden heeft geleerd. 

Vanaf groep 3 gebruiken we, naast de methodetoetsen, de Leerling in Beeld-toetsen. Deze toetsen worden twee keer per jaar afgenomen door de eigen leerkracht. De leerlingen weten dat het een belangrijke toets is en mogen laten zien wat ze hebben geleerd. De resultaten verwerken we in een zelfevaluatie. Ook maken we trendanalyses en groepsanalyses. Zo leren wij als leerkrachten hoe we ons onderwijs beter kunnen maken. De Leerling in Beeld-toetsen meten:

  • rekenen en wiskunde
  • technisch lezen
  • begrijpend lezen
  • spelling
  • studievaardigheden
We gebruiken ook speciale software, zoals Bareka en Rekensprint. In groep 8 maken de leerlingen de doorstroomtoets. Deze toets is digitaal en past zich aan het niveau van de leerling aan (adaptief).